Marianne

Rust

De trainer schuift een extra gewicht aan de stang en knikt naar me. Ik herken het knikje, dat betekent dat ik voor het laatste setje mag. Ik loop naar de stang en concentreer me. Mijn houding moet goed zijn, ik moet ook opletten op mijn ademhaling en tellen. Focus, spreek ik mezelf toe. Achter mij hoor ik de groep mannen hard lachen en ze praten er hard op los. Ik vang flarden op van een verhaal over een feestje. De muziek knettert door de ruimte, want daar houden die mannen van. Kunnen ze beter sporten, zo zeggen ze.

Het zweet breekt me uit en dat is niet van het sporten. De muziek schalt door mijn hersenen, net als die luidruchtige kerels. Ik probeer me te focussen. Inmiddels ben ik alweer de tel kwijt. Gelukkig weet mijn trainer dat hij beter zelf kan meetellen, want dat gaat vaak mis. “Je moet er nog twee!” hoor ik naast me. Hij heeft dus toch meegeteld. Ik sluit mijn ogen en probeer de laatste twee herhalingen nog te doen.

Sporten is iets wat voor veel mensen heel gewoon is. Soms denk ik weleens: hoe zou het voelen als je zonder tegenhoudende gedachten de sportschool kunt inlopen? Dat je kunt gaan sporten en daar geen last van hebt als andere mensen om je heen veel lawaai maken. Of dat de muziek te hard staat. Dat de lampen te fel zijn. Of dat de temperatuur te warm of juist te koud is.

Anderen hebben geen idee hoe het voelt om met autisme te sporten. Ik heb het fysiek nodig om elke week naar de sportschool te gaan. Gelukkig ga ik heel laat op de avond en is er altijd maar een groep aanwezig. Die luidruchtige mannen dus. Soms neem ik het voor lief en soms knalt alles rechtstreeks mijn hersenen in. Het is niet te beheersen helaas. Alles valt of staat met een gevoel van rust.

Voor ik ga, pak ik rust. In mijn eentje, want dan kan ik het beste tot rust komen, zonder mensen om me heen. Een korte wandeling, een korte powernap of even mezelf verliezen in muziek. Ik laad me op, zodat ik het sporten beter aankan. Ook na het sporten moet ik weer mijn rust nemen.
Rust is er voor mij niet alleen voor of na het sporten. Ze loopt de hele dag met me mee. Als ik haar kwijtraak, raak ik mezelf kwijt.